Oefening van de maand: specifieke exorotatietraining van de schouder

Exorotatietraining
beginpositie eindpositie
De patiënt zit op haar knieën. Het bovenlichaam is in anteropositie. De elleboog steunt op de quadricepsbank en is 90 graden geflecteerd. De bovenarm is tussen 20-30 graden anteflectie en voorbij 30 graden abductie. Het glenohumerale gewricht is in een endorotatiepositie. De uitgangshouding van de patiënt is gelijk aan de beginpositie waarbij het glenohumeraal gewricht in maximale actieve exorotatie is.
bewegingsverloop Vanuit de beginpositie wordt de onderarm vanuit endorotatie naar de optimale actieve bewegingsuitslag in exorotatie (glenohumeraal) gebracht.
doelgroepen Deze oefening kan worden toegepast bij patiënten met schouder klachten. Vooral bij patiënten waarbij sprake is van instabiliteitsproblemen, rotatorcuffproblematiek of SAPS (Sub Acromial Pain Syndrom)
doelen Het belangrijkste doel van de exorotatieoefening is het centreren en caudaliseren van de humeruskop in de cavitas glenoidale. Dit door het versterken van de exorotatoren van de rotatorenmanschette; M. Infraspinatus en M teres minor.

Deze oefening wordt veelvuldig toegepast aan het begin van de revalidatie na een acuut trauma. Juist de rotatorcuff heeft na een acuut trauma de neiging te reageren met hypotonie op basis van pijninhibitie.

Waar op te letten Belangrijk bij het uitvoeren van deze oefening is:

De uitgangshouding:

De positie van de scapula; de scapula bevindt zich in een retractiepositie. Deze uitgangshouding leidt ertoe dat de exorotatoren EMG technisch meer motorische eenheden kan rekruteren.

De bovenarm is tussen de 20-30 graden anteflectie. Daarmee komt de humeruskop in het verlengde van de scapula te staan. De scapula maakt immers een hoek van 20-30 graden met het frontale vlak. In deze positie is het glenohumerale kapsel ontspannen.

De bovenarm is in een positie voorbij 30 graden abductie en de elleboog steunt op de quadricepsbank. Op deze manier wordt de spieractiviteit van de M. Deltoideus en de M. Suypraspinatus zoveel mogelijk geinhibeerd. Bij activiteit van beide spieren transleert de humeruskop naar craniaal.

Een alternatief voor de uitgangshouding is het uitvoeren van de oefening in ruglig.

Bewegingsritme:

Het bewegingsritme is een 1-0-1 ritme. Dit betekent dat de excentrische fase en concentrische fase even lang zijn (1) en er geen pauze is in het omkeermoment tussen excentrisch/concentrisch en vice versa (0).

Bewegingsuitslag:

De bewegingsuitslag is van dien aard dat er geen totaal musculair spanningsverlies mag ontstaan. Dat betekent dat bij de endorotatiebeweging de hand niet tegen het bovenlichaam mag komen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.